|
Resolutie in een analoge en een digitale wereld is vergelijkbaar, maar er zijn een aantal belangrijke verschillen in de gebruikte definities. Bij analoge video bestaat het beeld uit lijnen, zogenaamde televisielijnen, omdat de analoge videotechnologie is voortgekomen uit de televisie-industrie. In een digitaal systeem is het beeld opgebouwd uit pixels (beeldpunten).
In Noord-Amerika en Japan is de NTSC-standaard (National Television System Committee) de meest gebruikte standaard voor analoge video; in Europa wordt de PAL-standaard (Phase Alternation by Line) gebruikt. Beide standaarden komen oorspronkelijk voort uit de televisie-industrie. NTSC heeft een resolutie van 480 horizontale lijnen en een beeldfrequentie van 30 b/s. PAL heeft een hogere resolutie, met 576 horizontale lijnen, maar een lagere beeldfrequentie: 25 b/s. De totale hoeveelheid informatie per seconde is voor beide standaarden gelijk.
Bij het digitaliseren van analoog videomateriaal hangt het maximum aantal pixels dat kan worden gecreëerd af van het aantal televisielijnen dat beschikbaar is voor digitalisering. Bij NTSC is het maximumformaat van het gedigitaliseerde beeld 704 x 480 pixels. Bij PAL is het formaat 704 x 576 pixels. Bij de meeste analoge beveiligingstoepassingen wordt slechts een kwart van het analoge beeld gebruikt, omdat bij gebruik van een quad 4 camera’s de maximumresolutie moeten delen. Een kwart van het totale bestandsformaat wordt in de videobewakingsindustrie CIF (Common Intermediate Format) genoemd. Bij PAL betekent CIF 352 x 288 pixels.
Een resolutie van 2CIF 704 x 288 (PAL) pixels, waarbij het aantal horizontale lijnen door twee wordt gedeeld. In de meeste gevallen wordt elke horizontale lijn bij weergave op een beeldscherm tweemaal weergegeven (‘lijnverdubbeling’), zodat de verhoudingen in de afbeelding blijven kloppen. Dat is een methode van omgaan met bewegingsvervaging bij geïnterlinieerde scanning.
Soms wordt een kwart van de CIF-afbeelding gebruikt, QCIF genaamd, een afkorting van Quarter CIF.
|
Afbeelding, met de verschillende resoluties in PAL.
|
|
|
|
Vergelijking verschillende resoluties.
|
|
|
Door de uitvinding van netwerkcamera’s kunnen nu voor 100% digitale systemen worden ontworpen. De beperkingen van NTSC en PAL zijn hierdoor irrelevant geworden. Er zijn verschillende nieuwe resoluties ingevoerd, overgenomen uit de computerindustrie. Hiermee is een grotere flexibiliteit verkregen en bovendien zijn het wereldwijd gebruikte standaarden.
VGA is een afkorting van Video Graphics Array, een afbeeldingenweergavesysteem voor pc’s dat oor-spronkelijk werd ontwikkeld door IBM. De resolutie staat vast op 640 x 480 pixels, heel vergelijkbaar met NTSC en PAL. De VGA-resolutie is gewoonlijk beter geschikt voor netwerkcamera’s omdat het videomateriaal meestal op een computerscherm wordt weergegeven, met een resolutie van VGA of een veelvoud van VGA. Quarter VGA (QVGA), met een resolutie van 320 x 240, is ook een vaak gebruikte indeling, met een formaat vergelijkbaar met CIF. QVGA wordt soms SIF (Standard Interchange Format) genoemd, gemakkelijk te verwarren met CIF. Andere oplossingen gebaseerd op VGA zijn XVGA (1024 x 768 pixels) en 1280x960 pixels, 4 maal VGA, voor een megapixelresolutie.
Met MPEG-resolutie wordt gewoonlijk een van de volgende resoluties aangeduid:
- 704x576 pixels (PAL-televisie)
- 704x480 pixels (NTSC-televisie)
- 720x576 pixels (DVD-Video PAL)
- 720x480 pixels (DVD-Video NTSC)
|
Overzicht van de resoluties gebruikt voor MPEG:
|
|
|
Hoe hoger de resolutie, hoe meer details zichtbaar zijn in een afbeelding. Dit is een heel belangrijk punt van overweging bij videotoezichttoepassingen, waarbij een afbeelding met hoge resolutie het mogelijk kan maken om een misdadiger te identificeren. De maximumresolutie bij NTSC en PAL nadat het videosignaal in een DVR of videoserver is gedigitaliseerd is 400.000 pixels (704 x 576 = 405504). 400.000 is gelijk aan 0,4 megapixel. Bij gebruik van de CIF-indeling, dus een kwart van het beeld, is de resolutie nog maar 0,1 megapixel.
De videobewakingsindustrie heeft het altijd moeten doen met deze beperkingen, maar door de nieuwe netwerkcamera-technologie is nu een hogere resolutie mogelijk. Een veel gebruikte megapixel-indeling is 1280 x 1024, wat een resolutie van 1,3 megapixel oplevert, 13 keer zo groot als die van een CIF-afbeelding. Camera’s met 2 en 3 megapixel zijn ook verkrijgbaar, en in de toekomst zullen naar verwachting nog hogere resoluties volgen.
Megapixel-netwerkcamera’s bieden tevens het voordeel van andere beeldverhoudingen. Op een gewone televisie wordt een beeldverhouding van 4:3 gebruikt; bij films en breedbeeldtelevisie is het 16:9. Het voordeel van deze beeldverhouding is dat in de meeste beelden het bovenste en onderste gedeelte van de afbeelding niet van belang zijn, maar wel kostbare pixels in beslag nemen, en daarmee bandbreedte en opslagruimte. Bij een netwerkcamera kan elke gewenste beeldverhouding worden gebruikt.
Daarbij kan digitale pan/tilt/zoom worden verkregen, waarbij de gebruiker selecteert welk gedeelte van de megapixel-afbeeldingen wordt weergegeven. Hier is geen mechanische beweging van de camera bij betrokken. Het zorgt voor een veel grotere betrouwbaarheid en verschillende gebruikers kunnen gelijktijdig verschillende gebieden van het beeld pannen en tilten.
|